6. Sociaal Domein en Omgevingswet

Sociaal Domein

Terugblik

Nu het jaar 2015 afgesloten is, kan geconstateerd worden dat de decentralisaties op het sociale domein binnen de daarvoor beschikbaar gestelde budgetten konden worden uitgevoerd. Of dat een garantie voor de toekomst is, is niet zeker. Individuele gevallen kunnen financieel grote gevolgen hebben. De verwachting is dat 2015 wel een betrouwbaar beeld laat zien over wat zich afspeelt binnen het sociaal domein en dat dat beeld financieel vertaald kan worden, met inachtneming van financiële buffers om risico’s in de toekomst op te vangen.

Financiën

Inmiddels kan gesteld worden dat de decentralisaties een regulier onderdeel zijn geworden van het gemeentelijk beleid en de gemeentelijke financiën. Het is dan ook niet reëel meer om onderscheid te blijven maken tussen de ‘oude’ budgetten en de ‘nieuwe' budgetten. Er is sprake van één integraal sociaal domein, inclusief bijvoorbeeld het Inkomensdeel van de Participatiewet (waar tegenover stijgende uitgaven een Rijksuitkering staat, die vermoedelijk aanzienlijk hoger gaat uitvallen voor het afrekeningsjaar 2015, maar dat nog niet meegenomen mag worden zolang dit niet is vastgesteld), hulp bij huishouden, de jeugdgezondheidszorg en het CJG. Op die manier is ook integraal beleid te voeren, met een bijbehorende financieel reële vertaling. Er zal dan ook stapsgewijs toegegaan worden naar reëel budgetteren. Hier komt naar verwachting steeds meer zicht op. Op dit moment zijn er echter nog teveel risico’s, zodat ook een bepaald niveau (stand na bestemming jaarresultaat 2015 is € 1 miljoen) voor de reserve Zorg, Welzijn en Participatie wordt aangehouden.

Hieronder vindt u een totaaloverzicht van het jaar 2015 van alle (netto) lasten die gemoeid zijn met het sociaal domein. Om het sociaal domein weer te geven betreft dit posten uit alle programma’s die met het sociaal domein te maken hebben (de programma’s 0 ‘Decentralisaties’, programma 2 ‘Onderwijs’, een deel van programma 3 ‘Sociale voorzieningen en zorg’ en een deel van programma 6 ‘Volksgezondheid en milieu’)

Sociaal Domein 2015 Begroot Werkelijk Verschil
'Oude taken'  6.435.000 5.982.000 -453.000
Decentralisatie Wmo 1.732.000 1.172.000 -560.000
Decentralisatie Jeugd 2.648.000 2.026.000 -622.000
Totaal 10.815.000 9.180.000 -1.635.000

Een deel van deze positieve afwijking is aan de reserve voor het sociaal domein toegevoegd.

Omgevingswet

Het huidige stelsel van relevante wet- en regelgeving voor de leefomgeving is complex, versnipperd en onoverzichtelijk. Het kan belemmerend werken voor duurzame ontwikkeling en initiatieven. Modernisering van het omgevingsrecht is noodzakelijk.

Op deelterreinen is de afgelopen jaren al gestart met het moderniseren van het omgevingsrecht, zoals met de Wabo en de Wet ruimtelijke ordening. Maar hiermee ontstaat er nog niet een inzichtelijk, samenhangend en toekomstbestendig stelsel van omgevingsrecht. Daarvoor is meer nodig en dat moet worden bereikt met de komst van de Omgevingswet. Met de wet worden regels vereenvoudigd, gebundeld en meer in samenhang met elkaar gebracht. Dit leidt tot een verdergaande integratie van wet- en regelgeving van verschillende beleidsvelden. Circa 40 wetten, ongeveer 120 AMvB’s (Algemene Maatregel van Bestuur) en honderden ministeriële regelingen zullen geheel of deels opgaan in het nieuwe stelsel onder de Omgevingswet.

De belangrijkste doelen van het wetsvoorstel voor de Omgevingswet zijn:

  • Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
  • Een doelmatig beheer, gebruik en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving om zo maatschappelijke functies te waarborgen.
  • De Omgevingswet heeft als afgeleide van deze doelstellingen vier belangrijke verbeterdoelen:
  • Het vereenvoudigen, versnellen en verbeteren van besluitvorming in het brede fysieke domein.
  • Meer integraliteit, de integratie van plannen en toetsingskaders.
  • Het vergroten van bestuurlijke afwegingsruimte.
  • Het doelmatig uitvoeren van onderzoek.

De Omgevingswet heeft impact op de werkprocessen. Daarnaast zal de wet impact hebben op medewerkers. Er zal sprake zijn van een volgende slag in een cultuurverandering die al in gang is gezet. De Omgevingswet bouwt voort op al ingezette ontwikkelingen bij alle overheden: meer participatie, meedenken met initiatiefnemer, integraal werken en gebiedsgericht werken.

De Omgevingswet brengt een verschuiving in taken bij gemeenten, waterschappen en provincies met zich mee doordat er minder vergunningen worden afgegeven maar er wel meer gehandhaafd moet worden.

De Omgevingswet heeft grote impact voor digitalisering. Standaardisatie is een randvoorwaarde voor een succesvolle implementatie en uitvoering van de Omgevingswet, waarbij de interoperabiliteit binnen het stelsel moet worden geborgd. Overheden, inwoners, ondernemers en andere partners moeten effectief en efficiënt informatie met elkaar kunnen delen. De wijze van koppeling van de systemen en de te gebruiken standaarden bepalen de impact van de digitalisering.

Financiën

De koepelorganisaties VNG, IPO, Unie van Waterschappen en het rijk zijn het eens over de kosten- en batenverdeling van de Omgevingswet. Gemeenten betalen jaarlijks zeventig procent van de uitvoeringskosten van het nieuwe stelsel, zo is afgesproken in een verdeelsleutel, met een maximum van veertig miljoen euro per jaar. Er komt geen korting op het Gemeente- en Provinciefonds.

De inschatting is dat voor de implementatie van de Omgevingswet een bedrag van minimaal € 124.000 per LHA-gemeente nodig is, verdeeld over twee jaar: € 64.000 in 2017 en € 60.000 in 2018. Deze gelden worden voornamelijk ingezet voor een projectleider en ICT.